Talent en extra’s

Eerder legde ik uit dat je je erfelijke eigenschappen van je ouders krijgt. Daarom hebben je ouders eigenschappen die jij ook hebt. Soms heb je een aanleg voor iets van je ouders gekregen, maar moet je er nog iets extra’s voor doen om het te merken. Voorbeelden daarvan zijn hoe muzikaal je bent, hoe goed je bent in sport of hoe makkelijk rekenen voor je is. 

Ik speel graag gitaar, net als mijn broer Ruben. Dat lukt ons best aardig. Ruben en ik hebben het muzikale talent van papa gekregen. Hij speelt saxofoon. Maar Ruben en ik worden alleen goed in gitaarspelen als we elke dag oefenen. 

Ik doe ook aan voetbal en tennis. Mijn zus Iris en ik zijn best goed in sport. Iris doet aan softbal. Iris en ik hebben dat sporttalent van mama. Zij is goed in tennis. Maar om goed te zijn in tennis, voetbal en softbal, moeten we wel veel trainen.  

O ja, ik kan heel goed rekenen. Ik heb de aanleg voor rekenen van mijn ouders gekregen. Maar ik ben er alleen goed in geworden, omdat ik elke dag sommen doe. Mijn ouders kunnen écht niet rekenen. Als ze wat moeten uitrekenen, vragen ze dat aan mij. Ze hebben de aanleg, maar vonden rekenen niet leuk. Daarom ze zijn er nooit goed in geworden. Ik vind dat niet erg, kom maar op met die sommen!