Hoe erft een eigenschap of ziekte over?

Eigenschappen en kenmerken krijg je van je ouders. Je kunt zeggen: je erft ze van je ouders

De informatie voor je eigenschappen staat op je DNA. DNA bepaalt hoe je eruit ziet. Bijvoorbeeld welke kleur ogen of haar je hebt. Een stukje DNA voor een eigenschap heet een gen. 

Voor veel eigenschappen is het zo dat er een aantal genen nodig is om ervoor te zorgen dat een kenmerk te zien is. Bijvoorbeeld bij de kleur van je ogen of je haar spelen meer genen mee. Voor veel erfelijke ziektes is wel één gen nodig. Je kunt de ziekte dan krijgen, omdat er een foutje in één gen zit.

Kinderen kunnen op verschillende manieren een erfelijke ziekte van hun ouders erven. 

Het kan zijn dat de vader of moeder een ziekte heeft door een foutje in een gen. Dan kan de ouder dit foutje wel doorgeven aan een kind, of het niet doorgeven. Als een kind het gen met het  foutje krijgt, heeft het de ziekte ook. Net als zijn of haar vader of moeder. Heeft het kind het gen met het foutje niet gekregen? Dan heeft het de ziekte niet. Dit heet autosomaal dominant erfelijk.

Maar bij andere erfelijke ziektes gaat het op een andere manier. Bij die ziektes krijgt een kind de ziekte alleen als het van beide ouders het gen met het foutje krijgt. De ouders hebben zelf het gen met het foutje ook, maar merken daar (vaak) niks van. Dit heet autosomaal recessief erfelijk.

Je kunt erfelijke ziektes ook nog op andere manieren van je ouders krijgen. Die manieren komen minder vaak voor. Zo zijn er bijvoorbeeld ziektes waar vooral jongens en mannen kenmerken van hebben en meisje en vrouwen minder of niet.